Sinds er scheepvaart is, bestaat er navigatie. In het begin gebruikten schippers markeringspunten op de kust om te bepalen waar ze waren. Toen zeelui steeds verder de zee bevoeren, was er een andere vorm van navigatie nodig. Op volle zee is namelijk weinig kust te bekennen. Onder andere Columbus kwam erachter dat het niet eenvoudig is om precies te bepalen waar je bent met je schip.

Om toch enigszins een beeld te krijgen van zijn route, gebruikte Columbus een zogeheten sextant. Dit is een aparaat waarmee de hoek van de zon gemeten kan worden ten opzichte van de horizon. Via een bepaalde berekening was uit te rekenen op welke breedtegraad van de aarde het schip zich bevond. Let wel: op een schip dat steeds op en neer gaat, is het niet gemakkelijk de zon te schieten. De horizon beweegt steeds, dan weer omhoog, dan weer naar beneden. De sextant verving het astrolabium, een wat ingewikkelder en zwaardere uitvoering van de sextant. Uitvinders van de sextant zijn de Engelse wiskundige John Hadley (1682 - 1744) en Thomas Godfrey (1704 - 1749), een Amerikaanse uitvinder.

Dat navigeren vroeger niet eenvoudig was, bleek uit het feit dat Columbus in India dacht uit te komen, maar Amerika ontdekte. Een navigatiefoutje?

klik hier om het venster te sluiten